Voordracht door dhr Mark Deweerdt op de Pro Flandria ledenvergadering van 17 september 2022

Inleiding

Beste Vlaamse vrienden van Pro Flandria , beste leden , beste nieuwe leden , beste genodigden , dames en heren ,

Van harte welkom op deze eerste ledenvergadering van het nieuwe werkjaar 2022-2023.

We zijn verheugd dat u opnieuw zo talrijk aanwezig bent . Een bijzonder welkom aan onze spreker Mark Deweerdt en ook aan de familie van Geert Goubert die we straks op het einde van de vergadering speciaal huldigen.

Het thema van vandaag en de spreker van vandaag zijn inderdaad zeer uitnodigend . Mark Deweerdt brengt een thema dat naadloos aansluit bij onze doelstellingen en ons streven naar Vlaamse Staatsvorming . Daarover binnen enkele ogenblikken meer  .

Want eerst  moeten we als netwerkorganisatie van ondernemers en academici toch even stilstaan bij de huidige penibele situatie en de energie crisis.

Jarenlang hebben allerlei activisten er voor gezorgd dat wij hier in Europa zeer afhankelijk zijn geworden van energie import . Alsof de oliecrisissen van de jaren ’70 ons niets hadden geleerd. Activisten van allerlei soort en in allerlei functies gaande van dogmatische ministers van energie over Europese Commissarissen die graag dictatoriaal optreden tot aan onze universiteiten en in de media en bij het gerecht. De eigen energie en gasproductie moest worden afgebouwd , onderzoek naar schaliegas werd stante pede verboden , kernenergie moest in de ban worden geslagen en vervangen door aardgas uit Rusland .

Met onder andere hoge CO2 emissie rechten zelfs op een ogenblik dat de elektriciteitsprijzen al zeer hoog zijn en met massale subsidies voor onder andere het ondergronds stockeren van CO2 gaat Europa in zijn eentje en met het morele vingertje in de hoogte het klimaat en de wereld redden .Terwijl we voor slechts circa 8% van de wereldwijde CO2 emissie verantwoordelijk zijn. Uiteraard dienen we bekommerd te zijn om het milieu en om het klimaat . Zeker is het nodig het verbruik van fossiele brandstoffen en de CO2 emissie te reduceren maar dan wel met het nodige realisme en zonder dogmatiek. En dat wil dan meteen zeggen dat we alle kerncentrales die veilig kunnen opereren in dienst houden en niet mordicus willen vervangen door de combinatie van wind als die waait én centrales die op en af draaien op geïmporteerd gas.

De Duitse industrie , de motor van Europa ,is vandaag in hoge mate afhankelijk van twee dictaturen :  import van gas uit Rusland en export van afgewerkte producten naar China. En nu de gaskraan dichtgaat worden de steenkool centrales weer opgestart terwijl de twee laatste nog functionerende kerncentrales op stand by gaan. De CO2 uitstoot zal dan wel navenant zijn.

Deze onzalige mix van Europese naïviteit en simplistisch dogmatisme is de oorzaak van de huidige energie ellende . De oorlog in Oekraïne heeft dit enkel in een stroomversnelling gebracht.    

En hetzelfde kunnen we vandaag besluiten voor dit land. Het faillissement dat reeds lang in zicht was komt nu wel snel dichterbij. Met de hoogste staatsschuld en het grootste begrotingstekort van Europa zijn er in deze energiecrisis geen buffers meer. Andere landen hebben die buffers wel.

En dat komt niet zoals men ons wil wijs maken door de éénmalige bijzondere uitgaven zoals de Covid 19 pandemie of de overstromingen aan de Vesder . Neen , het Planbureau heeft er nogmaals op gewezen dat de problemen structureel zijn , dat de overheidsuitgaven en dan vooral de sociale zekerheidsuitgaven niet onder controle zijn en dat Wallonië en Brussel afsteven op een financiële catastrofe . We lezen dat de bank Belfius in Wallonië moeilijk doet over de leningen en zou waarschuwen voor de PTB.  Waarom hebben ze jaren geleden niet gewaarschuwd voor de PS ?   

Beste Vlaamse vrienden , het is natuurlijk erg maar het bevestigt wat we reeds zo vaak gezegd hebben . Zonder diepe crisis , zonder verarming en zonder dat de gemiddelde Vlaming het in zijn portemonnee voelt zal er weinig veranderen . Nu we het echt gaan voelen , nu we verarmen is ons moment wellicht gekomen . Uit deze crisis kan eindelijk de bewustwording groeien dat Vlaanderen zijn eigen weg moet gaan en niet langer mag opdraaien voor het Belgische malgoverno.

De voordracht van Mark Deweerdt kon dan ook op geen beter moment komen . Het is nu aan ons Vlamingen om ons degelijk voor te bereiden . En dat vanuit een grondige kennis van onze geschiedenis  en met een doordachte strategie rond de door Franstaligen en zelfs sommige Vlamingen gepromote vier gewesten  .

John Dejaeger.

Voorzitter Pro Flandria.

Lokeren , 17 september 2022.

Mark Deweerdt

Opdoeken, dat federalisme met vier

Drie maanden geleden, op 13 juni, heeft het Institut Jules Destrée in Namen zijn jongste publicatie voorgesteld. Het Institut is een Waalse en Waals-militante onderzoeksinstelling en denktank, waar wij, Vlamingen, met een tikje afgunst naar op kunnen kijken, omdat wij geen vergelijkbaar instituut hebben.

Het boekje dat in Namen is voorgesteld, heeft als titel: Un fédéralisme fort et simplifié. Op 15 bladzijden schetst het een blauwdruk van een federaal België met vier deelstaten “égaux en droits” – met dus dezelfde rechtspositie. Het toont aan dat en hoe men in het zuiden des lands een zevende staatshervorming voorbereidt. Niet alleen het Institut Jules Destrée doet dat. Dat doet ook de PS – voorzitter Magnette heeft het in de pers gezegd. Dat doen vermoedelijk ook andere Franstalige partijen. En als ze daarover al niet samen hebben gezeten, zullen ze dat zeker nog doen – ook dat heeft Magnette gezegd.

Indien in 2024 een zevende staatshervorming op de onderhandelingstafel ligt, zal ongetwijfeld een federaal België met vier deelstaten ter sprake komen. Dat is een nieuw gegeven en het komt niet zomaar uit de lucht gevallen.

Om na te gaan hoe we tot die vier gekomen zijn, moeten we een duik in de geschiedenis nemen en beginnen bij twee en drie.

Tweeledig

Ondanks de pogingen om van België een Frans-eentalige eenheidsstaat te maken, kon na 1830 niemand ontkennen dat “il y deux races en Belgique”. Het zijn de woorden van het Vlaamse katholieke Kamerlid en latere eerste minister Pieter de Decker in 1849. Nadien had men het niet meer over “twee rassen”, maar over twee “gemeenschappen” of “volksgemeenschappen”, de Vlaamse en de Waalse.

Een eeuw na De Decker, in 1952, spraken de Waalse socialistische Kamerleden François Van Belle en Joseph Merlot in hun ontwerp van federale grondwet nog altijd van “deux communautés ethniques, la communauté wallonne et la communauté flamande” – “twee volksgemeenschappen: de Waalse en de Vlaamse”.

Het Harmelcentrum, dat vanaf 1948 de communautair-institutionele kwestie heeft onderzocht en cultuurautonomie als een deel van de oplossing naar voor schoof, stelde in zijn eindverslag van 1958 de oprichting voor van twee cultuurraden, een Vlaamse en een Waalse. Ook het Centrum ging dus uit van het bestaan van een Vlaamse en een Waalse gemeenschap.

Indien er enkel die Vlaamse en Waalse gemeenschap was, indien er enkel Vlamingen en Walen zouden zijn, dan zouden we een eenvoudig en helder tweeledig federalisme hebben. Of een confederatie van een Vlaamse en een Waalse staat. Of, wie weet, twee onafhankelijke staten, Vlaanderen en Wallonië.

Dat is, edoch, niet het geval,– want in de 20ste eeuw is er, naast Vlaanderen en Wallonië, een nieuwe speler op het veld gekomen. Of beter en juister: zijn er twee nieuwe spelers op het veld gekomen.

Duitstaligen

Ik wil eerst iets zeggen over de kleinste speler van de twee.

Het Verdrag van Versailles, dat in 1919 formeel een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, gaf België als schadeloosstelling twee Kreise van het Duitse rijksgebied: Eupen en Malmedy. En als toemaatje ook Neutraal-Moresnet, een lap grond van 344 hectare die sinds 1830 als condominium samen door België en Pruisen werd bestuurd.

Dat nieuwe Belgische gebied werd opgedeeld in drie kantons: Eupen, Malmedy en Sankt Vith – de zogenaamde Oostkantons.

Sinds de taalwet van 2 augustus 1963 vormen de kantons Eupen en Sankt Vith het Duitse taalgebied. Het kanton Malmedy behoort tot het Franse taalgebied, met faciliteiten voor de Duitstalige inwoners.

Omdat cultuur ten nauwste verbonden is met taal, hebben ook de Duitstaligen in 1970, bij de eerste staatshervorming, cultuurautonomie gekregen: de bevoegdheid dus om zelf hun cultuurbeleid te bepalen. Aanvankelijk was dat met slechts adviserende bevoegdheid, sinds 1980 is dat met wetgevende bevoegdheid, in de vorm van decreten.

Sinds 1980 is de Duitstalige Gemeenschap een van de drie gemeenschappen van België, naast en gelijk aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap. Met dus dezelfde bevoegdheden en een eigen parlement en een eigen regering, ook al gaat het om “slechts” 78.000 mensen.

Van de twee nieuwe spelers op het politiek-institutionele veld is de Duitstalige Gemeenschap de kleinste en speelt ze slechts een bijrol.

Brussel

De tweede nieuwe speler is een hoofdrolspeler, en dat is – u raadt het – Brussel. Ik beperkt die geschiedenis tot enkele data:

  • De bestuurstaalwet van 1921 richt de tweetalige agglomeratie Brussel op, die uit 16 gemeenten bestaat
  • In 1954 komen daar nog eens drie gemeenten bij, 19 dus in totaal
  • De bestuurstaalwet van 1963 maakt van de Brusselse agglomeratie het tweetalige arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  •  Dezelfde wet deelt het Belgische grondgebied op in vier taalgebieden, drie eentalige: het Nederlandse, het Franse en het Duitse, en één tweetalig: Brussel-Hoofdstad.
  • In 1970 krijgt het taalgebied Brussel-Hoofdstad de politiek-institutionele status van  gewest en wordt het een entiteit van het federale België-in-wording.

Dat was het eindpunt, of beter: het voorlopige eindpunt van een ontwikkeling die een kleine halve eeuw voordien was begonnen en die een belangrijke factor is in de genese van het concept van een federaal België met vier deelstaten. Een reden dus om even bij die ontwikkeling stil te staan.

In 1932 kwam er een nieuwe bestuurstaalwet, de derde na die van 1878 en 1921. Ze bevestigde en versterkte de wet van 1921. Ze bevestigde en versterkte dus de eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië, en de tweetaligheid van de Brusselse agglomeratie. Dat gaf aanleiding tot, wat we kunnen noemen, een “schisma” in de Waalse Beweging.

U weet dat de Waalse Beweging ontstaan in als reactie op het eerste, bescheiden succes van de Vlaamse Beweging, die met de taalwetten van het laatste kwart van de 19de eeuw het project heeft gekelderd om van België een Frans-eentalige staat te maken.

De Waalse Beweging is begonnen in de Vlaamse steden, inclusief en in de eerste plaats Brussel. Ze ging uit van ambtenaren, advocaten en magistraten die zich vanuit Wallonië in Vlaanderen hadden gevestigd, en die vreesden voor hun job indien zij ook Nederlands zouden moeten spreken en kennen.

Daarom verzetten zij zich tegen de taalwetten, tegen de verplichting om in Vlaanderen ook Nederlands te spreken, tegen de algehele tweetaligheid van België die de Vlaamse Beweging toen nog als oplossing van de taalkwestie naar voor schoof.

Dat Waalse parlementsleden hadden ingestemd met de bestuurstaalwetten van 1921 en 1932, en dus de tweetaligheid van Brussel, zette kwaad bloed bij de wallinganten in Brussel. Al in 1932 richtten ze de Ligue contre la Flamandisation de Bruxelles op. Die liga stond niet alleen vijandig tegenover de Vlaamse Beweging, ze keerde zich ook tegen het wallingantisme, dat volgens haar de Walen in Brussel in de steek had gelaten.

Omgekeerd waren er voor de Tweede Wereldoorlog al Waalse wallinganten die met een kwaad oog keken naar de Brusselse wallinganten. Die Waalse wallinganten streefden naar federalisme, naar politieke autonomie voor Wallonië en zagen in “Brussel” een hinderpaal op de weg naar politieke zelfstandigheid.

Want de Brusselse wallinganten, zeker de ambtenaren, die hadden alle belang bij het behoud van de eenheidsstaat en zijn administratie, en kantten zich daarom tegen federalisme.

Het is tegen die achtergrond dat we de vraag moeten zien of Brussel een eigen, een derde politieke entiteit kon zijn, naast Vlaanderen en Wallonië. Het is tegen die achtergrond dat we de spanning moeten zien tussen tweeledigheid en drieledigheid.

Een spanning die al tot uiting kwam in de twee federalistische grondwetsvoorstellen die in de jaren 1930 zijn ingediend.

Het eerste was dat van de Vlaams-nationalistische Frontpartij van 1931. Het beoogde van België het “Verenigd Koninkrijk Vlaanderen en Wallonië” te maken. Vlaanderen en Wallonië – twee deelstaten dus, tweeledigheid.

Zeven jaar later, in 1938, diende de Waalse socialist Truffaut een “ontwerp van federale grondwet” in, dat was opgesteld door de Concentration wallonne, de koepel van de wallingantische organisaties.

In dat voorstel bestond de bondsstaat België  uit drie Etats-membres ou régions, drie lidstaten of gewesten: Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Brussel kan noch Waals noch Vlaams zijn, zei Truffaut.

Brussel bondsgebied

Na de Tweede Wereldoorlog zaaide de kwestie van de twee-  of drieledigheid verdeeldheid onder de wallinganten. In oktober 1945 kwam een Congrès national wallon bijeen; het gaf een commissie de opdracht een voorstel uit te werken om de “autonomie de la Wallonie dans le cadre de la Belgique” vorm te geven. In die commissie is stevig gediscussieerd tussen voorstanders van tweeledig respectievelijk drieledig federalisme.

Voor de eerste bestond er slechts een Waalse en een Vlaamse nationaliteit, en moesten de inwoners van Brussel kiezen tussen een van beide. Op die manier, zeiden ze, zou voorkomen worden dat Brussel, door nu eens Vlaanderen dan weer Wallonië te steunen, scheidsrechter zou zijn en te veel macht naar zich zou toetrekken.

De tegenstanders van tweeledigheid en dus voorstanders van drieledigheid wilden dan weer niet dat 750.000 “Bruxellois qui n’ont rien de wallon” tot Wallonië zouden behoren. Zij wezen de inmenging van die Bruxellois in de interne aangelegenheden van Wallonië af.

De discussie is beslecht met een compromis. Volgens het wallingantisch ontwerp van federale grondwet dat in 1947 in de Kamer werd ingediend, bestond België uit twee Gewestelijke Staten, Vlaanderen en Wallonië, en het Federaal Gewest Brussel.

Dat federaal gewest zou minder bevoegdheden hebben dan Vlaanderen en Wallonië. De Brusselaars zouden moeten kiezen tussen de Vlaamse of de Waalse subnationaliteit, maar Brussel zou later toch kunnen beslissen  een eigen subnationaliteit in te voeren.

Van eenzelfde strekking was het federale voorstel dat de Waalse socialisten Van Belle en Merlot in 1952 indienden (ik heb het al vermeld toen ik het had over de Vlaamse en de Waalse etnische gemeenschap). In dat voorstel kregen de Vlaamse en de Waalse gemeenschap een eigen parlement en ruime bevoegdheden. De Brusselse agglomeratie zou een “federaal gebied” zijn, met beperkte bevoegdheden, en dus grotendeels bestuurd worden door de federale overheid. De inwoners van Brussel zouden  moeten kiezen tussen “de hoedanigheid van Waal of Vlaming”.

Die twee voorstellen zijn nooit besproken in het parlement, want voor een staatshervorming was er in de jaren 1950 nog geen draagvlak.

Dat is er gekomen in de jaren 1960. Toen werd duidelijk dat de taalwetgeving de Vlaams-Waalse spanningen niet kon oplossen en dat een institutionele hervorming onvermijdelijk was.

Gewestvorming

Duidelijk was ook dat die hervorming twee aspecten zou omvatten. Het eerste aspect was cultuurautonomie. Over de oprichting van twee Cultuurraden met adviserende bevoegdheid was er trouwens al sinds de jaren 1950 zo goed als eensgezindheid. Het tweede aspect was economische decentralisatie, waarbij gedacht werd aan de toekenning van economische bevoegdheden aan de provincies.

Zoals u weet hebben “Leuven Vlaams” en de verkiezingen van maart 1968 de staatshervorming in een stroomversnelling gebracht. Een substantiële bijdrage kwam van de zogenaamde werkgroep der 28, waaraan alle politieke partijen hebben deelgenomen (zij het dat de Volksunie tijdens de laatste vergadering is opgestapt uit protest tegen de voorgenomen vergrendeling van de Vlaamse meerderheid).

De werkgroep der 28 kwam in november 1969 tot de conclusie dat “de unitaire staat door de gebeurtenissen is achterhaald” en “de gemeenschappen en de gewesten hun plaats moeten innemen in vernieuwde staatsstructuren”.

De gemeenschappen, dat waren de twee cultuurgemeenschappen, de Nederlandse (sinds 1980: de Vlaamse) en de Franse. Zij kregen in 1970 zelfs meer dan adviserende bevoegdheid, zij kregen wetgevende, decreetgevende bevoegdheid in culturele aangelegenheden.

Als we abstractie maken van de kleine Duitstalige cultuurgemeenschap, kwam hier de Vlaams-Nederlandse en Waals-Franse tweeledigheid tot uiting.

Met de gewesten kwam in 1970 de drieledigheid ten tonele. Voor economische decentralisatie dacht de CVP-BSP-regering-Eyskens, die na de verkiezingen van maart 1968 was gevormd, nog aan de oprichting van drie gewestelijke economische raden – voor respectievelijk Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Ze zouden adviserende bevoegdheid hebben en bestaan uit parlementsleden, provincieraadsleden en vertegenwoordigers van wat we nu de “sociale partners” noemen.

In de werkgroep der 28 stelde François Perin van het Rassemblement Wallon evenwel voor om ook de drie gewesten, zoals de twee cultuurgemeenschappen, wetgevende bevoegdheid te geven, voor niet-culturele, in de eerste plaats economische aangelegenheden.

Perin kreeg de steun van de Volksunie (die wel een tweeledige formule verdedigde), van het FDF, van de socialisten en – zeer opmerkelijk – van de liberalen, die in 1968 nog een zeer unitaire verkiezingscampagne hadden gevoerd. Alleen de CVP spartelde tegen.

Het heeft nog heel wat voeten in de aarde van de Wetstraat gehad, maar eind 1970 stond het in de grondwet: “België omvat drie gewesten: het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse”. Het was het beroemd-beruchte artikel 107quater. Brussel had zich opgewerkt – sommigen zullen zeggen: Brussel had zich opgeblazen – van taalgebied tot politiek gewest, tot politiek-institutionele entiteit.

Het anti-Vlaamse wallingantisme in Brussel van vóór de Tweede Wereldoorlog waar ik het al over had, dat anti-Vlaamse wallingantisme was na de oorlog een anti-Vlaams bruxelloitisme geworden. Een krachtige impuls daartoe was uitgegaan van de bestuurstaalwet van 1963, die Brussel definitief had beperkt tot de 19 gemeenten. De woede over dat “carcan” leidde tot de oprichting van een Frans-Brusselse partij, het FDF, die aanvankelijk unitair dacht, maar die na de verkiezingen van 1965 voor “Bruxelles” een eigen plaats ging opeisen in de Belgische institutionele architectuur. Met artikel 107quater kreeg Brussel in 1970 die plaats als derde gewest, naast het Vlaamse en het Waalse.

Zo is in 1970 het Belgische federale model tot stand gekomen, met drie cultuurgemeenschappen – twee grote en een kleintje – en drie gewesten, elk met wetgevende bevoegdheid in eigen, exclusieve beleidsaangelegenheden. Het was een al bij al eenvoudig model.

Ei van Columbus

Terwijl de cultuurautonomie in de grondwet van 1970 zelf geregeld was, had die de regeling van de gewestautonomie overgelaten aan het parlement. Dat kwam omdat twee vragen niet waren opgelost: 1. Wat zijn de grenzen van het Brusselse gewest?; 2. Is dat gewest “une région à part entière”, een gewest gelijk aan en dus met dezelfde bevoegdheden als het Vlaamse en het Waalse?

Aangezien de grondwet het cultuurbeleid aan de cultuurgemeenschappen had toegewezen, konden de gewesten in principe alle niet-culturele bevoegdheden krijgen. De Vlamingen, niet het minst de Brusselse Vlamingen, wilden echter niet dat het Brusselse gewest, gezien de Franstalige dominantie, bevoegd zou worden voor, bijvoorbeeld, het gezondheids- en welzijnsbeleid.

Die twee kwesties, de bevoegdheid en de begrenzing van het Brusselse gewest, beletten geruime tijd de uitvoering van grondwetsartikel 107quater.

Tot iemand het “ei van Columbus” vond: het onderscheid tussen persoonsgebonden en plaatsgebonden beleidszaken. Dat “ei” is gelegd in de tweede helft van 1974, op het kabinet van de Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, de CVP’er Robert Vandekerckhove. Zijn idee kreeg de steun van zijn Waals-Franstalige ambtgenoot François Perin en vond bijval bij alle politieke partijen, in die mate dat het in 1977 een element was van het Egmontpact zaliger – of moet ik zeggen: onzaliger gedachtenis.

Het “ei” bestond erin 1. de plaatsgebonden beleidszaken, zoals huisvesting, ruimtelijke ordening en leefmilieu, toe te wijzen aan de gewesten; 2. de persoonsgebonden beleidszaken, zoals welzijn en gezondheid, toe te wijzen aan de cultuurgemeenschappen, die zodoende gemeenschappen werden; 3. de Vlaamse en de Franse Gemeenschap hun persoonsgebonden bevoegdheden te laten uitoefenen in het Brusselse gewest. Zo werd op een creatieve manier de tweeledigheid met de drieledigheid verzoend.

Dat alles kreeg grondwetgevende en wetgevende vorm bij de tweede staatshervorming van 1980, zodat Vlaanderen en Wallonië  dat jaar hun eigen gewestparlement en gewestregering kregen.

Brussel heeft daar op moeten wachten tot 1988-1989, omdat de Bruxellois zich pas dan bij de begrenzing van het gewest tot de 19 gemeenten hebben willen neerleggen.

Bij de staatshervorming van 1988-1989, is niet alleen het Brusselse gewest opgericht, er is in Brussel nóg iets gebeurd.

GGC

Met het “ei van Columbus” zijn, zoals ik al zei, in 1980 de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bevoegd geworden voor hun persoonsgebonden beleid in Brussel. Dat was en is evenwel enkel het geval voor zover het gaat om het beleid ten aanzien van eentalige instellingen, zoals scholen. Voor het beleid ten aanzien van tweetalige instellingen én van personen, van de Brusselaars dus, was in 1980 de federale overheid bevoegd gebleven. Welnu, in 1988-1989 is die bevoegdheid toegekend aan de GGC, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Die GGC bestaat uit een parlement en een regering, die in feite het parlement en de regering van het Brussels Gewest zijn. Het zijn dezelfde mannen en vrouwen die bijeenkomen, maar dan niet om te beraadslagen over  gewestzaken maar over persoonsgebonden zaken.

Die GGC is constitutioneel een eigen politiek-institutionele entiteit met wetgevende bevoegdheid. Het is een vierde gemeenschap, naast de Vlaamse, de Franse en de Duitstalige. Maar dan wel een gemeenschap die niet bevoegd is voor cultuur en onderwijs, enkel voor persoonsgebonden zaken, zoals welzijn en gezondheid, en voor zover het gaat om tweetalige instellingen en om personen.

Het eenvoudige basismodel van 1970, met drie gemeenschappen en drie gewesten, was al iets minder eenvoudig. En daarbij is het niet gebleven. En neen, dat is niet de schuld van de Vlamingen – integendeel.

Artikel 138

De Vlamingen hebben het basismodel van 1970 zelfs eenvoudiger gemaakt, want in 1980 hebben ze de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest de facto samengevoegd, gefuseerd. Juridisch zijn het nog altijd twee onderscheiden entiteiten; in de feiten is er slechts één staatkundige entiteit Vlaanderen, met één parlement in plaats van twee, met één regering in plaats van twee, met één kas in plaats van twee, met één administratie in plaats van twee.

Indien de Franstalige partijen in 1980 beslist hadden hetzelfde te doen, dan was er nu ook aan Franstalige zijde één parlement, één regering, één kas, één administratie. Maar zoals in 1945-1946 waren er Waalse autonomisten die niet wilden dat de “Bruxellois qui n’ont rien de wallon” zich mengden in Waalse aangelegenheden.

De liberalen en de christendemocraten wezen in 1980 een “fusie” van het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap niet per sé af. Het waren in hoofdzaak de Waalse regionalisten in de Parti Socialiste die er niet van wilden weten.

En het bleef niet bij een ‘njet’. Nadat in 1988-1989, bij de derde staatshervorming, het Brusselse Gewest was opgericht, gingen de Waalse regionalisten in de aanval. Mannen als Robert Collignon, Jean-Maurice Dehousse, José Happart en  Jean-Claude van Cauwenberghe vonden dat de Franse Gemeenschap overbodig was nu Bruxelles een eigen politiek-institutionele entiteit was geworden. Laat ons de Franse Gemeenschap opdoeken en de bevoegdheden ervan, cultuur, onderwijs en persoonsgebonden aangelegenheden, laat ons die aan het Waalse Gewest en het Brusselse Gewest geven, zeiden ze.

Waalse socialisten die minder of helemaal geen regionalisten waren, zoals Guy Spitaels die toen partijvoorzitter was, en Brusselse socialisten zoals Philippe Moureaux wilden evenwel de Franse Gemeenschap behouden als band en teken van solidariteit tussen Walen en Bruxellois.

Dat conflict in de PS is begin 1991 beslecht op een congres. Onder druk van de partijtop aanvaardden de Waalse regionalisten een compromis: de Franse Gemeenschap blijft bestaan, maar ze staat een deel van haar bevoegdheden af aan het Waalse en het Brusselse Gewest.

En zo is bij de vierde staatshervorming, in 1993, artikel 59quinquies in de grondwet gekomen, thans artikel 138. In artikel 138 staat dat het Waalse Gewest en de Cocof bevoegdheden van de Franse Gemeenschap kunnen uitoefenen.

De Cocof dat is de  Commission communautaire française, de Franse Gemeenschapscommissie in Brussel. Dat zijn de Franstalige leden van het Brussels parlement en van de Brusselse regering. Dat is de Franstalige vleugel van het Brusselse Gewest. Omdat het ook een Vlaamse vleugel heeft, was het constitutioneel niet mogelijk bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het gewest zelf te geven. Daarom werden die bevoegdheden aan de Cocof overgedragen (ik spreek van “overdragen” en “overhevelen”; strikt juridisch gaat het enkel om de uitoefening van bevoegdheden, maar in de praktijk komt dat op overheveling neer).

Al in 1993 is een eerste pakket bevoegdheden van de Franse Gemeenschap naar het Waalse Gewest en de Brusselse Cocof overgeheveld, onder meer de Franstalige sportinfrastructuur en het Franstalige leerlingenvervoer. Dat is dus net het omgekeerde van wat de Vlamingen hebben gedaan: bevoegdheden van het Vlaamse Gewest aan de Vlaamse Gemeenschap geven.

In 1993 is er op die manier een nieuwe politiek-institutionele entiteit met wetgevende bevoegdheid bijgekomen: de Cocof. Het is de vijfde gemeenschap, naast de Vlaamse, de Franse, de Duitstalige en de GGC. Het is wel een gemeenschap die enkel bevoegd is voor bepaalde Frans-eentalige persoonsgebonden zaken in Brussel.

Dat is nog niet alles.

Eveneens in 1993 heeft het Waalse Gewest een deel van zijn gewestbevoegdheden overgedragen aan de Duitstalige Gemeenschap. Dat was al in 1983 mogelijk gemaakt door een aanpassing van de grondwet. Al ten tijde van het Egmontpact, 1977, hebben de Duitstaligen gevraagd bepaalde bevoegdheden van het Waalse Gewest te mogen uitoefenen. Dat is hen principieel toegezegd in het Stuyvenbergakkoord, dat begin 1978 het Egmontpact heeft aangevuld.

De Duitstalige Gemeenschap zoals ze in 1970-1980 vorm had gekregen, is sinds 1993 een “gewestgemeenschap”, een gemeenschap die tevens bepaalde gewestbevoegdheden uitoefent.

Het spijt me, mijn verhaal is nog niet ten einde, ik moet het nog wat ingewikkelder maken.

Bij de jongste, zesde staatshervorming, die van 2011-2013, is in de grondwet een nieuw artikel 135bis ingevoegd.  Door dat artikel en een uitvoeringswet heeft het Brusselse Gewest zelf, dus niet de Cocof, niet de GGC, maar het gewest zelf culturele bevoegdheden, dus gemeenschapsbevoegdheden gekregen. Het gaat om bicommunautaire, dus tweetalige gemeentelijke sportinfrastructuur en beroepsopleiding, die tot dan toe federale bevoegdheden waren. Het stelt in de praktijk niet zo heel veel voor, maar principieel is het niet niks: de toekenning van gemeenschapsbevoegdheid aan het Brusselse Gewest.

Tik

Het is een nieuwe tik op het “ei van Columbus”. Het is een nieuwe stap in het uitwissen van het heldere onderscheid tussen persoonsgebonden en plaatsgebonden aangelegenheden, tussen gemeenschap en gewest. Het is een nieuwe “aanslag” op het basismodel van 1970. Van het al bij al eenvoudige model met drie gelijke gemeenschappen en drie gelijke gewesten blijft nog slechts weinig over.

Vandaag hebben we in plaats van drie gelijke, vijf ongelijke gemeenschappen met wetgevende bevoegdheid:

  • De Vlaamse Gemeenschap, die ook de bevoegdheden van het Vlaams Gewest uitoefent en die we Vlaanderen noemen
  • De Franse Gemeenschap die bevoegdheden heeft afgestaan aan het Waalse Gewest en aan de Brusselse Cocof
  • De Duitstalige Gemeenschap die enkele bevoegdheden uitoefent van het Waals Gewest, en een gewestgemeenschap is geworden
  • De Cocof die in Brussel enkele bevoegdheden uitoefent van de Franse Gemeenschap
  • De GGC (Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) die in Brussel niet-eentalige gemeenschapsbevoegdheden uitoefent  en daar sinds de zesde staatshervorming volledig bevoegd is voor de kinderbijslag

Vandaag hebben we in plaats van drie gelijke gewesten, drie ongelijke gewesten met wetgevende bevoegdheid:

  • Het Vlaamse Gewest dat de facto is opgegaan in de Vlaamse Gemeenschap, in Vlaanderen, en enkel nog juridisch, op papier bestaat
  • Het Waalse Gewest dat bevoegdheden uitoefent van de Franse Gemeenschap en dat voor bepaalde gewestzaken (zoals ruimtelijke ordening, huisvesting) niet meer bevoegd in het Duitse taalgebied
  • Het Brusselse Gewest, waar de GGC gemeenschapsbevoegdheden uitoefent (onder meer kinderbijslag) en de Cocof bevoegdheden van de Franse Gemeenschap, en dat sinds de jongste staatshervorming als gewest zelf bicommunautaire gemeenschapsbevoegdheden heeft. Brussel is in zekere zin een gemeenschapsgewest geworden.

Op de koop toe noemt de Franse Gemeenschap, la Communauté française, zich sinds mei 2011 Fédération Wallonie-Bruxelles, behalve op officiële documenten – zo wijs zijn ze wel. Dat druist in tegen de grondwet en miskent dat er in Brussel ook een Vlaamse vleugel is.

De Duitstalige Gemeenschap wilde niet achterblijven en noemt zich sinds mei 2017 Ostbelgien, behalve op officiële documenten – zo wijs ze wel. Dat druist in tegen de grondwet en miskent dat Oost-België groter is dan het Duitse taalgebied.

Van Collignon tot Magnette

Tja, als je het eenvoudige basismodel van 1970 uitholt en ondermijnt, hoef je dan verbaasd te zijn dat sommigen zeggen: het onderscheid tussen gemeenschap en gewest is achterhaald; de Belgische staatsstructuur is té complex; we hebben een eenvoudig model nodig, “un fédéralisme simplifié”, een federalisme met vier gewesten of vier deelstaten.

Het was de Waalse socialist en regionalist Robert Collignon die als eerste op de proppen kwam de vierledigheid. Ik heb al gezegd dat hij een van de regionalisten was die na de oprichting van het Brusselse gewest in 1989 de Franse Gemeenschap overbodig vonden.

Nog in 1989 keek hij in de Revue de l’Université de Bruxelles in de toekomst en zag hij een federaal België “arrivé à maturité”, waaruit de gemeenschappen  verdwenen zijn en dat uit “quatre entités” bestaat: Vlaanderen, Wallonië, Brussel en het Duitse taalgebied.

Ook al zeggen zij het niet, toch speelt bij Van Cauwenberghe en andere Waalse autonomisten die voor vierledig federalisme opkomen, zoals het Institut Jules Destrée, zoals Jean-Luc Crucke van de MR, zoals misschien zelfs Paul Magnette – ook al zeggen zij het niet, toch speelt bij hen de “oude” Waalse aversie tegenover Bruxelles mee. Dat is een eerste motief om voor een België met vier deelstaten te pleiten.

Het tweede motief is dat van de vereenvoudiging. Het dook op aan het begin van de jaren 1990 bij de belgicistische Coudenberg-denkgroep en bij VLD-voorzitter Guy Verhofstadt. Voor hen hoefde het niet per sé vierledigheid te zijn, zij wilden enkel af van de “complexe” federale architectuur met gemeenschappen en gewesten. Verhofstadt zei dat het aantal deelstaten niet belangrijk is, maar dat men moet kiezen tussen de gemeenschappen en de gewesten. Een mengeling van beide gaat niet, zei hij.  

Het concept van de vierledigheid kreeg toen weinig of geen bijval, en dat was ook zo wanneer Philippe Destatte van het Institut Jules Destrée er in 2007 – toen al – mee uitpakte of wanneer het opgerakeld werd door Karl-Heinz Lambertz, de minister-president van de Duitstalige Gemeenschap, en door academici als Philippe Van Parijs en Herman Matthijs.

Iets meer aandacht kreeg Johan Vande Lanotte, die het vierledig federalisme propageerde tijdens een gastcollege dat hij begin 2011 gaf aan de Universiteit Gent, al verdween zijn voorstel even snel uit de actualiteit als het gekomen was.

De jongste poging om het concept op de politieke agenda te zetten, kwam van PS-voorzitter Paul Magnette en dateert van half december 2020. Hij kreeg nadien bijval van onder anderen Sven Gatz (Open Vld), Marc Uyttendaele en Luc Huyse. En o ja, er is nog de publicatie van het Institut Jules Destrée van juni jongstleden.

Wat te denken?

Wat kunnen of wat moeten wij denken van een federaal België met vier gewesten of, zoals het Institut Jules Destrée zegt, vier deelstaten?

Op het eerste gezicht is daar wel iets voor te zeggen. Sinds 1963 is België ingedeeld in vier taalgebieden. De gemeenschappen en de gewesten zijn grotendeels gebouwd op die taalgebieden, al is er overlapping in Brussel en het Duitse taalgebied. Als we van de vier taalgebieden vier deelstaten maken, valt die overlapping weg.

Bovendien verdwijnt het, tot op zekere hoogte, kunstmatige onderscheid tussen persoonsgebonden en plaatsgebonden aangelegenheden. Elke deelstaat zou immers bevoegd zijn voor alle beleidszaken die niet onder de bevoegdheid van de federatie vallen.

In Brussel is dan geen Vlaamse Gemeenschapscommissie, geen Cocof en geen GGC meer nodig, en wordt de institutionele architectuur minder complex.

Bij nader inzien wegen de pro-argumenten niet op tegen de contra-argumenten. Ik noem er vijf.

1. De vier deelstaten zijn zeer ongelijk van grootte, met aan de ene kant Vlaanderen met 6,7 miljoen inwoners en aan de andere kant Ostbelgien met 78.000. Zeker, tussen het kanton Zürich, 1,5 miljoen inwoners, en het kanton Appenzell Innerrhoden, 16.000 inwoners, is het verschil ook groot – maar in Zwitserland zijn er wel 26 kantons, waarvan acht met minder dan 100.000 inwoners. Dat relativeert het grote verschil.

2. Het vierstatenmodel is enkel een vereenvoudiging als men het consequent en integraal toepast, en dus alle deelstaten dezelfde bevoegdheid geeft. Dat wil, bijvoorbeeld, zeggen dat Ostbelgien bevoegd zou zijn voor de enkele kilometer E42-autoweg die op zijn grondgebied liggen. Indien dat geen waanzin is, neigt het toch naar waanzin.

Vlaanderen voert een  krachtig buitenlands beleid en heeft een sterke dienst Buitenlandse Zaken uitgebouwd, met eigen ambassadeurs. Dat kan Ostbelgien niet en het zou belachelijk zijn mocht het dat toch willen doen. Hetzelfde geldt voor Brussel. Indien men vier gelijke deelstaten wil, zou men Vlaanderen zijn buitenlands beleid moeten afnemen. Dat kunnen wij niet toestaan.

Nog een voorbeeld. Brussel zou een eigen publieke omroep moeten oprichten, die bovendien tweetalig is. Natuurlijk is dat onzin en dat weten ook de Vlaamse voorstanders van vierledigheid. Ze vinden dat Vlaanderen bevoegd moet blijven voor cultuur en onderwijs in Brussel, ook omdat ze de band tussen de Brusselse Vlamingen en de “Vlaamse” Vlamingen niet helemaal willen doorknippen.

Dat het onzin is, weet zelfs Paul Magnette, want hij zegt dat er inzake cultuur en onderwijs een band moet blijven tussen Brussel en Wallonië. Tja, waar zit dan de vereenvoudiging?

Ik citeer Christian Behrendt, constitutionalist aan de Universiteit van Luik, in Knack van 29 september 2021: “‘Als je kiest voor een model zonder gemeenschappen, zul je toch weer allerlei nieuwe regels en uitzonderingen moeten verzinnen. Denken dat je het land maar in vieren hoeft te delen en je dan iets glashelders krijgt, is een illusie”.

3. Als volwaardige deelstaat kan Brussel nooit op eigen financiële benen staan – het kan dat trouwens nu al niet. De Brusselse minister van Financiën, Sven Gatz (Open Vld), heeft het begin dit jaar laten berekenen. Het begrotingstekort, nu al 1 miljard euro per jaar, zou toenemen met nog eens 1,1 miljard euro.

Om die put te dempen, stelt Gatz voor dat de Vlaamse en Waalse pendelaars een deel van hun belastingen aan Brussel betalen. Een nieuwe transfer dus, bovenop de 1 miljard euro die Brussel nu al elk jaar toegeschoven krijgt van de federale overheid, Vlaanderen en Wallonië. Een compleet waanzinnig voorstel. Overigens: als Brussel een autonome deelstaat is, heeft Vlaanderen geen enkele reden om zijn administratie en de VRT in Brussel te houden – de pendel zal flink afnemen.

4. Hoe vertaal je het vierdeelstatenmodel in de federale instellingen? Nu zijn er twee taalgroepen in de Kamer, ga je er vier van maken? Moet een bijzondere wet door een meerderheid in elk van die vier taalgroepen worden goedgekeurd? Nu is er Nederlands-Franse-pariteit onder de federale ministers. Ga je de 78.000 Duitstaligen evenveel ministers geven als de 6,7 miljoen Vlamingen? En zo kan ik nog even doorgaan. Om maar te zeggen dat een loepzuivere vierledigheid volstrekt onmogelijk is.

5. Want, ten vijfde en last but not least: de dualiteit, de Vlaams/Nederlandse-Waals/Franse tweeledigheid zit ingebakken in België, in alle instellingen van België. In het parlement, ik zei het al: twee taalgroepen. In de regering, ik zei het al: pariteit tussen N en F. Voor de institutionele wetgeving: een meerderheid in elk van de twee taalgroepen. De tweeledigheid zit ingebakken in de verkiezing van de Belgische leden van het Europees Parlement, in het Grondwettelijk Hof, in de Raad van State, in het Rekenhof enzovoort. En dan heb ik, in de particratie die België is, het belangrijkste nog niet genoemd: de tweeledigheid in ons partijbestel, in onze politieke partijen.

Kortom, het vierdeelstatenmodel staat haaks op de systemische tweeledigheid van België en kan die tweeledigheid niet uitvegen, laat staan opheffen. Er is, dames en heren, dus maar één mogelijke conclusie: opdoeken, dat federalisme met vier.

Indien men echt een federaal België wil dat “fort et simplifié” is, sterk en eenvoudig, dan moet het gebaseerd zijn op de tweeledigheid. En dan moeten de Franstaligen doen wat ze in 1980 nagelaten hebben te doen. Dan moeten ze, naar het voorbeeld van Vlaanderen, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest samenvoegen.

Dan bestaat het federale België uit twee sterke deelstaten: Vlaanderen en, wat men voor mijn part Wallobrux kan noemen.

Dan moeten de 19 gemeenten van het arrondissement Brussel-Hoofdstad samengevoegd worden tot een stadsgewest, bevoegd voor plaatsgebonden aangelegenheden. In dat stadsgewest zijn cultuur, onderwijs en alle andere persoonsgebonden aangelegenheden een bevoegdheid van Vlaanderen en Wallobrux, elk ten aanzien van zijn eigen gemeenschap. Dat zijn een VGC, een Cocof en een GGC niet meer nodig, enkel nog een samenwerkingscommissie voor bicommunautaire instellingen zoals De Munt.

Dan moet je in het stadsgewest subnationaliteit invoeren, zodat de Brusselaars kunnen en moeten kiezen tussen Vlaanderen of Wallobrux.

Dat het kan, bewijst de Landsbond van Christelijke Mutualiteiten. Die bestond tot eind 2021 uit 19 verbonden. Op 1 januari zijn die opgeheven en opgegaan in twee ziekenfondsen: CM Vlaanderen en la MC. Twee. Geen drie, geen vier. De Brusselaars moeten kiezen tussen de regelgeving en diensten van CM Vlaanderen of la MC.

Dat kan ook voor onderwijs, voor gezondheidszorg, voor kinderbijslag enzovoort: kiezen tussen de regelgeving en diensten van Vlaanderen of Wallobrux.

En wat het Duitse taalgebied betreft: waarom zouden wij het niet teruggeven aan Duitsland? Als dat niet kan, voeg dan de negen gemeenten samen tot één stad van 78.000 inwoners en geef die de bevoegdheid door Duitse cultuur en Duits onderwijs, maar niet voor de persoonsgebonden aangelegenheden en niet voor gewestzaken.

Onze institutionele structuur wordt eenvoudiger én efficiënter. Bij wijze van voorbeeld: in plaats van acht zijn er nog slechts drie ministers van Volksgezondheid (een Vlaamse, een Wallobruxse en een federale). Als dat geen fraai vooruitzicht is om deze lezing mee te eindigen…